De ontwikkeling van Warande, Station Lelystad Zuid, de derde aansluiting op de A6, de ontwikkeling van de luchthaven en de ontwikkeling van de bedrijventerreinen Larserpoort en OMALA-terrein zijn onderdeel van één gebiedsontwikkeling Lelystad Zuid. De totale omvang van deze twee terreinen bedraagt 660 ha., waarvan netto uitgeefbaar 215-330 ha. De ontwikkeling van deze terreinen is cruciaal voor de groei van de werkgelegenheid ook de oostkant van Almere. Eveneens van belang in dit kader is de ontwikkeling van de binnenhaven Flevokust, een multimodaal overslaghaven (10 ha. buitendijks en 90 ha. binnendijks).
De locatie Warande omvat de bouw van 10.000 woningen, waarvan circa 5.000 in de periode 2010 - 2020. Dit gebied vormt de overgang tussen het stedelijke gebied van Lelystad en de robuuste natuurlijke omgeving van het Oostvaardersland (Oostvaardersplassen, Hollandse Hout en Oostvaarderswold). De ambitie van Warande is om een woonlandschap te creëren dat de stad aan de natuur verbindt. Om het nieuwe stadsdeel Warande in zijn geheel te kunnen realiseren moet Lelystad 300 hectare foerageergebied compenseren. De kosten voor verwerving, inrichting en beheer bedragen voor (vitaal agrarisch) gebied van deze omvang circa 51 miljoen euro. Om net over het randje van het bestaande dijklichaam 400 woningen te realiseren moet Lelystad eveneens miljoenen extra investeren. De maatschappelijke kosten die moeten worden gemaakt staan daarmee niet meer goed in verhouding tot de doelen die moeten worden gediend.
Afgezien van de (on)mogelijkheden van mitigatie en compensatie zijn op grond van de vigerende wetgeving een aantal oplossingen denkbaar die echter nogal veel tijd vergen:
- het realiteitsgehalte van de instandhoudingsdoelstellingen moet omhoog;
- betere belangenafweging bij de begrenzing van natuurgebieden en Ecologische hoofdstructuur;
- betere wisselwerking tussen beheer en instandhoudingsdoelstellingen.
Ook kan voorafgaand aan ruimtelijke ontwikkelingen een grootschalige natuurcompensatie worden gerealiseerd. Afgezien van het experimentele karakter van deze oplossing, geldt dat vaak niet kan worden gewacht tot het moment waarop de natuurontwikkeling is gerealiseerd. Zeker buitendijks is dit op zijn vroegst pas rond 2020 het geval. Een laatste mogelijkheid is om de maatschappelijke kosten en baten lokaal - nationaal meer in evenwicht te brengen door op rijksniveau middelen beschikbaar te stellen voor regio's die zware investeringen moeten doen. Daarvoor kan mogelijk het MIRT worden benut.