Samenwerking tussen waterbeheerders en de ruimtelijke ontwerpers is essentieel om de klimaatopgave effectief op te pakken. Bovendien dienen allianties op dit vlak in een zo vroeg mogelijk stadium op strategisch niveau tot stand te komen. Alleen dan is doorwerking van de gecombineerde aanpak mogelijk in zowel de ideefase, de ontwikkelfase als de uitvoeringsfase van de ruimtelijke plannen.
Hoofdthema's
Een quick scan naar de klimaatopgave voor water wijst uit dat er in de metropoolregio vijf hoofdthema's spelen, die stuk voor stuk doorwerken op de andere ruimtelijke opgaven:
- Veiligheid tegen overstromingen (preventief)
- Beperken van gevolgen van een overstroming
- Bescherming tegen wateroverlast
- Optimaliseren van de wisselwerking tussen watersystemen
- Zoetwatervoorziening: hoeveelheid en kwaliteit
1. Veiligheid tegen overstromingen (preventief)
Op rijksniveau zijn verschillende veiligheidsnormen nog niet definitief en soms niet gedetailleerd genoeg. Hierdoor in het niet mogelijk om in lopende ruimtelijke ontwikkelingen adequaat rekening te houden met preventieve maatregelen tegen overstromingen. De metropoolpartners willen daarom dat het kabinet op korte termijn duidelijkheid geeft over deze veiligheidsnormen.
De commissie Veerman adviseert om het veiligheidsniveau van West-Nederland te verhogen met een factor 10. In het Ontwerp Nationaal Waterplan staat dat in 2011 de nieuwe norm per dijkringgebied wordt gedefinieerd en dat hierover in 2017 een definitief besluit wordt genomen. Dat betekent dat het in de tussenliggende periode onduidelijk is hoe de stedelijke transformatie moet worden ingevuld. Ook mogelijk nieuwe buitendijkse ontwikkelingen van Amsterdam, Almere en Lelystad worden door deze onzekerheid belemmerd.
Een besluit over de veiligheidsnormen is ook nodig vanwege verschillen in beschermingsniveaus. Sommige deelgebieden in de metropoolregio hebben twee beschermingsniveaus, bijvoorbeeld Amstelland en de Vechtstreek. Ten westen van het Amsterdam-Rijnkanaal is een beschermingsniveau met een kans op overstromingen van 1:10.000 per jaar, terwijl ten oosten een kans is van 1:1.250 per jaar. Om diezelfde reden is duidelijkheid over beschermingsniveaus nodig voor verstedelijking van de IJ-oevers in Amsterdam.
Een ander advies van de commissie Veerman is om via een verhoging van het peil met maximaal 1,5 meter de voorraad zoetwater in het IJsselmeer te vergroten. Het peil in het Markermeer en IJmeer stijgt niet mee met het IJsselmeer. In het Ontwerp Nationaal Waterplan staat dat het kabinet uiterlijk 2012 een nieuw peilbesluit neemt voor het hele IJsselmeergebied en in 2015 een besluit over de mate en fasering van verdere peilverhoging in het IJsselmeer.
Uitdagingen
- Regionale uitwerking van het advies van de commissie-Veerman op het schaalniveau van de Metropoolregio Amsterdam via een integrale stedelijke uitwerking.
- Vooruitlopend op een rijksbesluit wil de regio overleg voeren over de normering voor de bescherming van West-Nederland tegen overstromingen en het peil in het Markermeer/ IJmeer op lange termijn.
- Duidelijkheid geven over de verdeling van verantwoordelijkheden in nieuwe buitendijkse gebieden die mogen worden ontwikkeld.
2. Beperking van gevolgen van een overstroming
Preventieve veiligheidsmaatregelen tegen overstromingen verkleinen de kans op vervelende situaties. Dit is vooral de verantwoordelijkheid van de waterbeheerders. Daarnaast kunnen de gevolgen van een overstroming zoveel mogelijk worden beperkt. Hier ligt een taak voor de ruimtelijke ordenaars, gemeenten en provincies.
Het Ontwerp Nationaal Waterplan geeft met de meerlagenbenadering naast aandacht aan preventie (laag 1) ook aandacht aan beperking van de gevolgen (laag 2) en rampenbestrijding (laag 3). De metropoolpartners kunnen zelf een hoop doen om de gevolgen van een overstroming te beperken. Bijvoorbeeld door ruimtelijke ontwikkelingen zo te sturen en te lokaliseren, dat de effecten van een overstroming tot een minimum worden beperkt. Dat is vooral van belang voor kwetsbare functies en infrastructuur, die nodig zijn voor het economisch en sociaal functioneren van de metropoolregio.
Een andere optie is het ‘waterbestendig bouwen', waarmee de gevolgen van een eventuele overstroming zo beperkt mogelijk kunnen worden gehouden. De kans op een dijkdoorbraak is klein, maar de gevolgen kunnen groot zijn. Dat is reden om extra aandacht te hebben voor vluchtwegen en vluchtplaatsen. Hooggelegen wegen kunnen bovendien een functie hebben om polders te compartimenteren. Ook kan worden gedacht aan het opzetten van een adequate calamiteitenorganisatie, vooral om de afstemming tussen overheden te optimaliseren.
Uitdagingen
- Ontwikkelen van een instrument voor het lokaliseren en sturen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen, samen met de regionale waterbeheerders. Bijvoorbeeld door het opstellen van een Handreiking Stedelijke Transformatie en Klimaatopgave.
- In kaart brengen van de risico's van schade in bestaand stedelijk gebied, samen met de regionale waterbeheerders, door het opstellen van Risicokaarten.
- Onderzoeken welke andere mogelijkheden er in verschillende deelgebieden van de metropoolregio gericht inzetbaar zijn om de gevolgen van overstromingen te beperken.
- Het rijk wordt gevraagd te participeren in de Werkagenda 2009 - 2011 voor het onderdeel beperking van gevolgen.
3. Bescherming tegen wateroverlast
In het Nationaal Bestuursakkoord Water (2008) zijn landelijke referentienormen voor bescherming tegen wateroverlast afgesproken. Deze normen bepalen per gebiedsfunctie met welke frequentie er water op het maaiveld mag staan. Voor agrarisch gebied geldt een norm van 1:10 per jaar en voor stedelijk gebied 1:100 per jaar. Het Ontwerp Nationaal Waterplan geeft aan dat de landelijke beleidskaders onverkort gelden voor stedelijk gebied in de Randstad. Plus dat het voldoen aan de wateropgave moet worden gekoppeld aan andere ruimtelijke ontwikkelingen; meervoudig ruimtegebruik dus.
De verschillen tussen deelgebieden in de metropoolregio maken het lastig om te voldoen aan de referentienormen uit het Nationaal Bestuursakkoord Water. Neem de combinatie van een lage ligging en hoge (grond)waterstanden in veenweidegebieden en diepe polders. Landbouwgebied op veenweide wordt met veel elektrische - dus energievragende en kwetsbare - pompjes en stuwen en veel kleine peilvakken ‘droog' gehouden. Aanvullend kan worden ingestoken op het aanpassen van gemalen, het ‘intelligenter' maken van stuwen en het vergroten van peilvakken in combinatie met blokbemaling. Kansrijk zijn verder combinaties van waterberging met natuur- en recreatieontwikkeling en blauwe diensten. Mogelijk zal uiteindelijk de norm voor bescherming tegen wateroverlast lokaal moeten worden aangepast.
In stedelijk gebied gelden andere opgaven. Hier is allereerst straat steeds vaker water op straat te verwachten. Dat komt door de klimaatveranderingen en doordat steeds meer tuinen betegeld zijn. De vierkante meterprijs maakt aanleg van voldoende open water in nieuwbouwgebied (te) duur. Gelukkig gaan een aantrekkelijke ruimtelijke kwaliteit en de aanpak van wateroverlast veelal goed samen.
De uitdaging voor waterbeheerders en ruimtelijke ontwikkelaars is om samen tot ontwerpen te komen waarin water een zichtbare plek krijgt. Knelpunt is wel dat en onvoldoende mogelijkheden voorhanden zijn voor toepassing van de trits ‘vasthouden-bergen-afvoeren'; dit geldt onder meer in de Amsterdamse binnenstad en in delen van het stedelijk gebied van Zaanstad. Daarom zetten zij in op ‘afvoer, met andere manieren van vasthouden/bergen', slimme inrichting van de openbare ruimte om overlast te beperken en acceptatie van water op straat. In andere delen van het stedelijk gebied wordt daarentegen juist weer ingezet op een robuustere bescherming, zodat netto niet méér zal worden afgevoerd. In weer andere (nieuwe) stedelijke gebieden, zoals in Almere, is wel voldoende ruimte voor waterberging en daar wordt deze ruimte dan ook benut. Een andere optie is het plaatsen van schadegevoelige functies op locaties waar de kans op wateroverlast minimaal is. Dit kan in beeld worden gebracht met ‘functie faciliterings'-kaarten. Op die manier maakt water onderdeel uit van een integrale locatie- en functiekeuze.
Uitdagingen
- Samen met de regionale waterbeheerders in kaart brengen op welke manier schadegevoelige functies zó zijn te plaatsen dat de kans op wateroverlast minimaal is, bijvoorbeeld door het opstellen van ‘functie faciliterings'-kaarten.
- Ruimtelijke ontwikkelaars en waterbeheerders samen voorstellen uit laten werken voor landschappelijk aantrekkelijke vormen van watercompensatie, een optimaal scenario voor beperking van wateroverlast in landelijk gebied en voor ‘omgaan met wateroverlast' in stedelijk gebied met toegevoegde stedelijke kwaliteit.
4. Optimaliseren van de wisselwerking tussen watersystemen
Het Markermeer/IJmeer, het Amsterdam-Rijnkanaal en het Noordzeekanaal zijn onderdelen van het hoofdwatersysteem. Als gevolg van klimaatverandering kan het nodig zijn om het peil in het hoofdwatersysteem aan te passen. Wanneer bovendien het IJsselmeer wordt ingezet als strategische zoetwatervoorraad voor een groot deel van West-Nederland, zijn voor het transport naar verwachting grote ingrepen in de waterinfrastructuur nodig. Dit transport zal bovendien gevolgen hebben voor het peilbeheer in het Markermeer.
Aanpassingen in het hoofdwatersysteem hebben effect op regionale watersystemen. Denk aan:
- Verandering van het streefpeil en wijzigingen in de mate van fluctuatie van het peil in Markermeer/IJmeer. Deze hebben invloed op de inlaat- en uitmaalmogelijkheden van de omliggende gebieden en op de realisatie- en beheerkosten van buitendijkse ontwikkelingen.
- Veranderingen in het peil van het Noordzeekanaal heeft onder meer invloed op het boezemwatersysteem van Amsterdam en de veiligheid tegen overstromingen in het gebied; als afvoer naar de Noordzee via IJmuiden geen optie is, kan de Amstelboezem nu via gemaal Zeeburg water uitslaan op het IJmeer; de metropoolpartners willen dat deze alternatieve afvoermogelijkheid in stand blijft.
- Door het schutten van schepen bij IJmuiden dringt zout water het Noordzeekanaal binnen. Zeespiegelrijzing kan leiden tot het ‘verzouten' van de stadswateren van Amsterdam.
- Zoetwatertekorten kunnen het doorspoelen van de Amsterdamse grachten, nodig om de waterkwaliteit op peil te houden, onder druk zetten.
Uitdagingen
- Samen met het rijk in kaart brengen wat verandering van het beheer van het hoofdsysteem betekenen voor het optimaliseren van de regionale watersystemen.
- Optimaliseren van de wisselwerking tussen watersystemen door
- In goed overleg met het rijk een besluit nemen over het peil van het Markermeer en het gebruik van Noordzeekanaal en Amsterdam-Rijnkanaal voor aan- en afvoer van water.
5. Zoetwatervoorziening: hoeveelheid en kwaliteit
De Tweede Deltacommissie beveelt aan om het IJsselmeer te gebruiken voor de zoetwatervoorziening voor West-Nederland. Voor de Haarlemmermeer geldt dat zoetwater in droge perioden moet worden ingelaten om het peil te handhaven en verzilting te bestrijden. Noord-Holland ten noorden van het Noordzeekanaal gebruikt grote hoeveelheden Markermeerwater voor het doorspoelen en op peil houden van het watersysteem. Naast deze technische oplossingen maar worden geprobeerd om de behoefte aan zoetwater te verminderen en om ontwikkelingen van zelfvoorziening op dit gebied te stimuleren.
Uitdagingen
- In de droge zomer van 2003 is de ‘Tolhuisroute' gebruikt voor het transport van zoetwater naar West-Nederland. Die route kan niet structureel functioneren als aanvoerroute van IJsselmeerwater. Dit betekent dat onderzoek nodig is naar de kosten en mogelijkheden van een alternatieve route.
- Onderzocht moet worden hoeveel water vanuit het Markermeer via een alternatieve route naar West-Nederland kan worden getransporteerd zonder dat dit tot problemen leidt.
- Provincies en waterschappen brengen met behulp van onder meer ‘functie faciliterings'-kaarten niet alleen in beeld welke kosten zijn gemoeid met het zorgen voor de juiste hoeveelheid water op de juiste plaats, maar ook of deze opwegen tegen de baten.
- Op termijn is zowel onvoldoende schoon als koel zoetwater beschikbaar om alle huidige gebruiksfuncties (landbouw, drinkwater, natuur, zwemwater en elektriciteitsproductie) blijvend te faciliteren. Daarom moet er worden overgegaan op gebruiksfuncties die minder zoetwater vragen. Aanvullend kunnen innovatieve systemen mogelijk ervoor zorgen dat de zelfvoorziening van het zoetwatergebruik wordt vergroot.